ECLI:NL:RVS:2021:1873
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over diplomatieke kaart als verblijfstitel in Dublinverordening
De zaak betreft een gezin van derdelanders waarvan de vader als diplomatiek personeel op een ambassade in een lidstaat (lidstaat X) heeft gewerkt en een diplomatieke kaart ontving. Na vertrek uit lidstaat X vroegen zij internationale bescherming aan in Nederland. De staatssecretaris weigerde hun asielaanvragen in behandeling te nemen omdat lidstaat X verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening, op grond van de diplomatieke kaarten.
De rechtbank oordeelde dat de diplomatieke kaarten geen verblijfsvergunningen zijn, omdat het verblijfsrecht rechtstreeks uit het Verdrag van Wenen voortvloeit, en stelde Nederland als verantwoordelijke lidstaat aan. De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat diplomatieke kaarten wel als verblijfstitel moeten worden gezien, verwijzend naar de Dublinverordening en jurisprudentie.
De Raad van State analyseerde de tekst van de Dublinverordening, het Verdrag van Wenen en de doelstellingen van het Dublinsysteem. Geconstateerd werd dat het antwoord niet eenduidig is en dat lidstaten hierover verschillen van mening. Daarom stelde de Raad van State een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verschaffen over de kwalificatie van diplomatieke kaarten als verblijfstitel.
De behandeling van het hoger beroep werd geschorst totdat het Hof uitspraak doet. Dit arrest verduidelijkt de problematiek rond de verantwoordelijkheid van lidstaten voor asielaanvragen van diplomatiek personeel en hun gezinsleden binnen het Dublinsysteem.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie over de kwalificatie van diplomatieke kaarten als verblijfstitel.