ECLI:NL:RVS:2021:1886
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- B. Meijer
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake onderhoudsplicht watergang en bevestiging onderhoudsplicht aangelanden
Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden stelde op 20 februari 2019 de Legger Oppervlaktewateren 2018 vast, waarin onderhoudsplichtigen werden aangewezen voor het onderhoud van oppervlaktewateren. Wederpartij A en B, eigenaren van percelen grenzend aan de primaire watergang Tweede Wetering, werden aangewezen als onderhoudsplichtigen voor het kantonderhoud tot 0,4 meter diepte.
De rechtbank vernietigde dit besluit deels, omdat zij oordeelde dat de onderhoudsplicht in strijd was met afspraken uit de ruilverkaveling van 2002 en dat de belangenafweging niet volledig en evenredig was. Het algemeen bestuur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de onderhoudsplicht in strijd was met de ruilverkavelingsafspraken. Uit de notariële akte en het begrenzingsplan bleek niet dat afspraken waren gemaakt over het gebruik van publiekrechtelijke bevoegdheden om onderhoudsplichten op te leggen. Het algemeen bestuur had een volledige en evenredige belangenafweging gemaakt, waarbij rekening was gehouden met de praktische uitvoerbaarheid en kosten.
De Afdeling vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van het algemeen bestuur gegrond. Tevens werd het beroep van wederpartij A en B tegen de Legger 2020 ongegrond verklaard. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van het algemeen bestuur wordt gegrond verklaard en de onderhoudsplicht van de aangelanden bevestigd; het beroep van wederpartij A en B wordt ongegrond verklaard.