ECLI:NL:RVS:2021:1934
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep asielzaak
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 24 juni 2021 werd afgewezen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 augustus 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek hield in dat zij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist en dat zij opvang en verstrekkingen zou ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat gelet op de aangevoerde omstandigheden een voorlopige voorziening passend was. Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet uitgezet mag worden zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van € 748,00 die de vreemdeling had gemaakt voor beroepsmatige rechtsbijstand.
De uitspraak werd op 30 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter B. Meijer, in aanwezigheid van griffier M. van Wezep.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.