ECLI:NL:RVS:2021:1950
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.E.M. Polak
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake vergoeding inkomensschade na weigering Wbr-vergunning biggenstal
Appellante exploiteert varkenshouderijen en verzocht nadeelcompensatie wegens inkomensschade na weigering van een Wbr-vergunning voor een biggenstal in het winterbed van de Maas. De minister kende aanvankelijk een vergoeding toe voor waardevermindering, maar weigerde inkomensschade te vergoeden. Na bezwaar werd een beperkte vergoeding toegekend. De rechtbank stelde vast dat alleen de vergoeding voor inkomensschade in geschil was en bepaalde een eerdere ingangsdatum van wettelijke rente en hogere deskundigenkosten.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de commissie en deskundige onvoldoende deskundig en onafhankelijk waren, dat de omvang van het geding te beperkt was en dat de berekening van de inkomensschade onjuist was. De Afdeling oordeelde dat de commissie en deskundige wel deskundig en onafhankelijk waren, dat de minister terecht de schadevergoeding beperkte tot de in de aanvraag genoemde schadeoorzaak en dat de berekening van de inkomensschade zorgvuldig was uitgevoerd.
De Afdeling verwierp ook het betoog dat de rechtbank onterecht het deskundigenverslag van de STAB had gevolgd en bevestigde dat de vergoeding voor deskundigenkosten en proceskosten correct was vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.