ECLI:NL:RVS:2021:1990

Raad van State

Datum uitspraak
8 september 2021
Publicatiedatum
7 september 2021
Zaaknummer
202006913/2/V6
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:45 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking kennisneming stukken AIVD wegens nationale veiligheid in hoger beroep

In deze zaak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft op grond van artikel 8:45 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aantal gedingstukken overgelegd en verzocht dat alleen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kennis neemt van deze stukken.

De Afdeling heeft op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb een belangenafweging gemaakt tussen het belang van [appellante] om kennis te nemen van de stukken en het belang van de nationale veiligheid. De Afdeling concludeert dat het nationale veiligheidsbelang zwaarder weegt omdat openbaarmaking lopende en toekomstige onderzoeken van de AIVD kan belemmeren en daarmee de nationale veiligheid in gevaar kan brengen.

Op grond hiervan acht de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd en wijst het toe. De beslissing is genomen door lid A.W.M. Bijloos in de enkelvoudige geheimhoudingskamer, en uitgesproken op 8 september 2021.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak wijst het verzoek van de AIVD toe en beperkt de kennisneming van de stukken tot de Afdeling zelf vanwege het zwaarder wegen van het nationale veiligheidsbelang.

Uitspraak

202006913/2/V6.
Datum beslissing: 8 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep van:
[appellante], verblijvend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2020 in zaken nrs. 19/6972 en 19/8438 en in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 november 2020 in zaken nrs. 19/6972 en 19/8438.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de AIVD) heeft na toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht van de AIVD van 27 september 2019, kenmerk 915081de-or1-1.3.
Overwegingen
1.       De AIVD heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2.       Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.       Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van de nationale veiligheid zwaarder dan het belang dat [appellante] kennis neemt van de stukken. Indien de stukken worden vrijgegeven, kunnen zowel lopende als toekomstige onderzoeken van de AIVD worden belemmerd en kan daarmee de nationale veiligheid in gevaar worden gebracht.
4.       De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe;
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van  mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Bijloos
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021
488