ECLI:NL:RVS:2021:1997
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugkeerbesluit wegens onvoldoende onderzoek afgeleid verblijfsrecht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 9 maart 2020 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit zijn verklaringen tijdens het gehoor onvoldoende bleek dat hij beschikte over een afgeleid verblijfsrecht, zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie. Tijdens het gehoor verklaarde de vreemdeling dat hij kinderen in Nederland heeft, maar er is niet doorgevraagd naar de nationaliteit van deze kinderen of de mate van zorg die hij voor hen draagt.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris onder deze omstandigheden wel degelijk nader onderzoek had moeten verrichten naar het mogelijke afgeleid verblijfsrecht. Hierdoor is het terugkeerbesluit niet zorgvuldig voorbereid in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt daarom het terugkeerbesluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar het afgeleid verblijfsrecht van de vreemdeling.