ECLI:NL:RVS:2021:1346
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit vreemdeling met minderjarig Nederlands kind
De vreemdeling, van Albanese nationaliteit, werd zonder geldig verblijfsdocument staande gehouden en kreeg een terugkeerbesluit opgelegd. Hij verklaarde een minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit te hebben, maar kon dit niet met documenten onderbouwen. De staatssecretaris stelde vast dat hij geen rechtmatig verblijf had en nam het terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt rechtmatig te verblijven en dat de enkele verklaring over zijn dochter onvoldoende was om nader onderzoek te verplichten. De vreemdeling ging in hoger beroep en stelde dat de staatssecretaris het terugkeerbesluit niet zorgvuldig had voorbereid en dat hij rechtmatig verblijf had op grond van EU-recht.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris wel degelijk zorgvuldig had doorgevraagd tijdens het gehoor en dat de tegenstrijdige verklaringen van de vreemdeling over zijn verblijf in Nederland en Albanië onvoldoende concrete aanknopingspunten boden voor een afgeleid verblijfsrecht. Daarom was nader onderzoek niet verplicht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bevestigd.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt bevestigd omdat onvoldoende concrete aanknopingspunten voor een afgeleid verblijfsrecht zijn aangetoond.