ECLI:NL:RVS:2021:2014
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenveroordeling na intrekking beroep inzake uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven
Appellant heeft een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven aangevraagd wegens lichamelijke mishandeling. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende later een uitkering toe in letselcategorie 2. Appellant stelde beroep in omdat hij recht meende te hebben op letselcategorie 3. Na overlegging van nieuwe medische informatie van een psycholoog, verhoogde de CSG de uitkering naar letselcategorie 3 en appellant trok daarop het beroep in met een verzoek om proceskostenvergoeding.
De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af, omdat de intrekking van het beroep het gevolg was van nieuwe feiten en omstandigheden, en niet van een onrechtmatigheid van de CSG. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het slagen van het rechtsmiddel bepalend is voor proceskostenveroordeling, ongeacht onrechtmatigheid.
De Raad van State overwoog dat de toekenning van letselcategorie 3 gebaseerd is op nieuwe medische informatie die pas na het besluit op bezwaar beschikbaar kwam. Hierdoor is geen sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb. De Raad bevestigt dat de CSG niet hoeft te worden veroordeeld in de proceskosten, omdat het beroep is ingetrokken en de nieuwe uitkering niet het gevolg is van het beroep zelf, maar van gewijzigde omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de CSG niet hoeft te worden veroordeeld in de proceskosten na intrekking van het beroep.