ECLI:NL:RVS:2021:2016
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat echtgenoot toeslagpartner is bij ontbreken echtscheidingsverzoek
Appellant ontving in 2017 en 2018 voorschotten voor kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 4 mei 2020 vast dat appellant vanaf 12 januari 2017 een toeslagpartner had, namelijk haar echtgenoot, wat leidde tot lagere voorschotten. Appellant voerde aan dat zij sinds die datum van tafel en bed gescheiden was en dat zij hierover contact had gehad met de Belastingtelefoon, waarbij haar zou zijn toegezegd dat haar echtgenoot niet langer als toeslagpartner zou worden aangemerkt bij verhuizing.
De rechtbank oordeelde dat zonder een ingediend verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij de rechtbank de echtgenoot terecht als toeslagpartner werd aangemerkt. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak deze uitspraak. De Afdeling stelde vast dat appellant geen bewijs had geleverd van toezeggingen door de Belastingdienst/Toeslagen die haar verwachtingen konden rechtvaardigen. De Belastingdienst/Toeslagen handelde conform de wettelijke bepalingen omtrent de definitie van een toeslagpartner.
De Afdeling benadrukte dat de definitieve vaststelling van toeslagen en eventuele terugvordering van te veel ontvangen voorschotten nog moet plaatsvinden. Appellant kan daarbij verzoeken om een betalingsregeling. De uitspraak bevestigt dat de lagere voorschotten terecht zijn vastgesteld en dat de eerdere uitspraak van de rechtbank standhoudt.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de echtgenoot terecht als toeslagpartner is aangemerkt en wijst het hoger beroep af.