ECLI:NL:RVS:2021:2038
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens schending hoorplicht in procedure machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 25 oktober 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 22 januari 2020 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar verving dit door een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar zonder een zitting te houden.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:57, eerste lid, Awb handelde door het onderzoek ter zitting achterwege te laten zonder partijen te vragen of zij gebruik wilden maken van hun recht om gehoord te worden. Er was geen bewijs dat de vreemdeling afstand had gedaan van dit recht.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor nieuwe behandeling waarbij het oordeel van de Afdeling in acht wordt genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens schending van het hoorrecht en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.