ECLI:NL:RVS:2021:2053
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening minister Buitenlandse Zaken in hoger beroep bestuursrecht
De minister van Buitenlandse Zaken verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, waardoor hij geen nader besluit hoefde te nemen totdat op zijn hoger beroep was beslist. Dit verzoek werd gedaan naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Haag.
De voorzieningenrechter oordeelde dat rechterlijke uitspraken uitgevoerd moeten worden en dat niet aannemelijk was dat uitvoering van de uitspraak tot onherstelbare gevolgen zou leiden indien het hoger beroep niet wordt bevestigd. Ook was er geen reden om aan te nemen dat de door de rechtbank gestelde termijn van 12 weken onredelijk kort was om een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast werd het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting benadrukt, waarbij het nemen van een nieuw besluit met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden meegenomen in de beoordeling van het hoger beroep. Het verzoek werd afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij.
Uitkomst: Het verzoek van de minister om geen nader besluit te hoeven nemen totdat op hoger beroep is beslist, is afgewezen.