ECLI:NL:RBDHA:2021:6375
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Minister moet evenredigheid automatisch verlies Nederlandse nationaliteit beoordelen bij Brexit
In deze bestuursrechtelijke paspoortzaak verzocht eiseres om een Nederlands paspoort, maar de minister van Buitenlandse Zaken wees dit af omdat zij in december 2017 automatisch de Nederlandse nationaliteit verloor. De minister stelde dat hij niet hoefde te toetsen aan het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat eiseres toen nog de Britse nationaliteit bezat en dus het Unieburgerschap niet verloor.
De rechtbank oordeelde dat Britten per 1 januari 2021 door de Brexit hun Unieburgerschap en de daaraan verbonden rechten hebben verloren. De rechtbank stelde dat de minister niet alleen naar het moment van het verlies van de Nederlandse nationaliteit moet kijken, maar ook naar de feiten die bij de besluitvorming bekend waren. Omdat de Brexit bij de besluitvorming al een feit was, was EU-recht van toepassing en had de minister de evenredigheid moeten beoordelen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen waarin de evenredigheid van het verlies van de Nederlandse nationaliteit wordt beoordeeld. De uitspraak betekent niet automatisch dat eiseres haar nationaliteit terugkrijgt, maar dat een zorgvuldige toetsing moet plaatsvinden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet de evenredigheid van het verlies van de Nederlandse nationaliteit alsnog beoordelen.