ECLI:NL:RVS:2021:2105
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bewaring vreemdeling en toekenning schadevergoeding wegens gebrek aan redelijke termijn uitzetting
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 23 mei 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat er geen uitzicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, zoals bevestigd in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:2092). De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
De bewaring werd met ingang van de datum van uitspraak opgeheven. Bovendien werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van €9.060 toegekend voor de periode van bewaring, en werden de proceskosten van €2.244 vergoed aan de vreemdeling. De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven en er wordt een schadevergoeding toegekend wegens het ontbreken van uitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.