Uitspraak
Datum uitspraak: 17 september 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit in bewaring op 9 en 12 maart 2021 wegens het niet naleven van een terugkeerbesluit en het risico op ontduiking van toezicht. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen beide bewaringen ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze besluiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond, waarbij de uitzetting afhankelijk is van een laissez-passer (lp) van de Algerijnse autoriteiten. Uit de feiten bleek dat sinds maart 2020 geen lp's zijn verstrekt en dat de uitzetting door het ontbreken van een nieuwe consul en beperkte vluchten niet mogelijk was. De Afdeling oordeelde dat dit geen tijdelijke belemmering meer is.
Het hoger beroep tegen de bewaring van 9 maart 2021 werd ongegrond verklaard omdat die bewaring samenhing met een lopende asielprocedure waarbij zicht op uitzetting niet vereist is. Het hoger beroep tegen de bewaring van 12 maart 2021 werd gegrond verklaard omdat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en kende de vreemdeling een schadevergoeding toe van €16.100 en proceskosten van €3.366.
De uitspraak benadrukt het belang van concreet zicht op uitzetting en dat langdurige bewaring onrechtmatig is indien dit ontbreekt. De staatssecretaris heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie spoedig zal normaliseren. De beslissing is genomen in het kader van het bestuursrecht en vreemdelingenrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de bewaring van 12 maart 2021 wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onrechtmatige bewaring.