ECLI:NL:RVS:2021:2108
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering identiteit en herkomst
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 7 maart 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig werden geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende was ingegaan op zijn beroepsgronden, waaronder het ontbreken van geboorteakte, mobiliteitskaart en schoolpas, en dat de staatssecretaris de motivering daarvoor ondeugdelijk had gegeven.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt had gesteld dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd. Zo werd onvoldoende rekening gehouden met het feit dat geboorteakten in Eritrea in 2002 slechts in stedelijke gebieden werden verstrekt en dat niet alle kinderen werden geregistreerd. Ook was onvoldoende gemotiveerd waarom een schoolpas of mobiliteitskaart vereist zou zijn.
Verder had de staatssecretaris niet adequaat gemotiveerd waarom tegenstrijdige informatie over namen en geboorteplaatsen van ouders niet verklaard kon worden door transcriptieproblemen. Gezien de jonge leeftijd van de vreemdeling en de bewijsnood had nader onderzoek moeten plaatsvinden. Ook had de staatssecretaris niet voldoende onderzoek gedaan naar de herkomst en nationaliteit, terwijl dit mogelijk was geweest.
De klacht over het gebruik van een niet-registertolk leidde niet tot vernietiging. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 7 maart 2019, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.