ECLI:NL:RVS:2021:2122
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Raad voor Rechtsbijstand over toevoeging rechtsbijstand bij complexe beenbreuk
De zaak betreft een geschil over de afwijzing van een aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand. De appellant had een aanvraag ingediend na een scooterongeval waarbij hij een complexe beenbreuk opliep. De raad wees de aanvraag aanvankelijk af omdat volgens het beleid enkel voor aansprakelijkstelling geen toevoeging wordt verstrekt, tenzij sprake is van ernstige letselschade vanaf categorie 2 in de letselschadelijst.
De appellant gaf in bezwaar aan dat het letsel onder categorie 3 viel, waarna de raad de toevoeging alsnog verleende, maar weigerde de kosten van het bezwaar te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de raad zorgvuldig had gehandeld en dat de onrechtmatigheid niet aan de raad te wijten was.
In hoger beroep stelde de appellant dat de raad ten onrechte niet had doorgevraagd naar de aard van de 'complexe beenbreuk' en daardoor onrechtmatig had gehandeld. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de raad het vermoeden had moeten hebben dat sprake was van ernstige letselschade en dat het besluit van 16 oktober 2019 daarom herroepen moest worden wegens aan de raad te wijten onrechtmatigheid.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde de raad tot vergoeding van de proceskosten die de appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep had gemaakt, inclusief het griffierecht. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand wordt vernietigd wegens aan de raad te wijten onrechtmatigheid en de raad wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.