ECLI:NL:RVS:2021:2130
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige uitschrijving uit Basisregistratie Personen
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd afgewezen. Appellant was uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) als 'vertrokken naar onbekend adres', waarna zijn uitkering en toeslagen werden stopgezet. Na bezwaar en een verzoek om voorlopige voorziening besloot het college het besluit te herzien en appellant vanaf 16 november 2016 onafgebroken ingeschreven te houden.
Appellant vorderde vervolgens vergoeding van materiële en immateriële schade van €23.000,- wegens de gevolgen van de onrechtmatige uitschrijving, waaronder problemen met diverse instanties en psychische klachten. De rechtbank wees het verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing van de schade.
In hoger beroep handhaafde de Afdeling bestuursrechtspraak dit oordeel. De Afdeling overwoog dat appellant niet voldoende gegevens had verstrekt om de gestelde schade aan te tonen. De tijdelijke stopzetting van uitkering en toeslagen leidde niet automatisch tot schade, aangezien de bedragen later alsnog zijn uitgekeerd. Ook het betoog dat het college het betaalde collegegeld voor 2019-2020 zou moeten vergoeden, werd verworpen omdat niet vaststond dat het niet kunnen studeren aan het besluit kon worden toegerekend.
Wat betreft immateriële schade stelde de Afdeling dat het psychisch onbehagen onvoldoende was om te spreken van geestelijk letsel dat vergoeding rechtvaardigt, conform de criteria van artikel 6:106 BW Pro en jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.