ECLI:NL:RVS:2021:2131
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake registratie buitenlands huwelijk in basisregistratie personen
Appellant, met zowel de Nederlandse als Angolese nationaliteit, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn huwelijk, voltrokken op het Angolese consulaat in Rotterdam en later geregistreerd in Angola, in de basisregistratie personen (BRP) te registreren. Het college wees dit verzoek af op grond van artikel 10:30 BW Pro, omdat het huwelijk in Nederland was voltrokken en een van de partijen de Nederlandse nationaliteit bezit.
Appellant voerde aan dat het huwelijk pas met de registratie in Angola was voltrokken en dat het daarom een buitenlands huwelijk betreft dat erkend moet worden volgens artikel 10:31 BW Pro. Zowel het college als de rechtbank verwierpen dit standpunt en bevestigden dat het huwelijk in Nederland was voltrokken. Appellant stelde ook dat Portugal het huwelijk erkent, maar dit leidt niet tot inschrijving in de BRP.
In hoger beroep voerde appellant dezelfde gronden aan en overhandigde een uittreksel van de Portugese ambassade. Tijdens de zitting verklaarde zijn gemachtigde dat appellant inmiddels in België woont, waardoor het college niet langer bevoegd is om zijn gegevens in de BRP te wijzigen. De Afdeling concludeerde dat appellant geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Indien appellant zich opnieuw in Den Haag inschrijft, kan hij een nieuw verzoek indienen waarbij het college opnieuw zal beoordelen, onder meer met betrekking tot de genoemde internationale overeenkomsten.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet langer in Den Haag woont en het college daardoor niet bevoegd is het huwelijk in de BRP te registreren.