ECLI:NL:RVS:2021:2135
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering artikel 1F Vreemdelingenverdrag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 juni 2019 de aanvraag van een Iraakse vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De vreemdeling was voormalig militair en inlichtingenofficier met werkzaamheden voor de Speciale Veiligheidsdienst. De rechtbank vernietigde deze beslissing op 7 januari 2021 wegens ondeugdelijke motivering omtrent de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
De staatssecretaris ging in hoger beroep, stellende dat de vreemdeling onder de categorie officieren van de Speciale Veiligheidsdienst viel en dat het risico op vervolging onvoldoende aannemelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris ten onrechte de vreemdeling als officier van de Speciale Veiligheidsdienst aanmerkte zonder individuele beoordeling en dat de beleidsregels niet zo ruim mogen worden geïnterpreteerd.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met een individuele beoordeling van de persoonlijke gedragingen en het risico bij terugkeer. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.