ECLI:NL:RVS:2021:2147

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
202007041/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van niet-ontvankelijkheidsbesluiten verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 7 september 2020 de aanvragen van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag verklaarde de daarop ingestelde beroepen ongegrond. De vreemdelingen gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat de motivering van de staatssecretaris onvoldoende was met betrekking tot het risico dat statushouders in Griekenland lopen bij terugkeer, in het licht van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest. Dit volgt uit eerdere uitspraken van 28 juli 2021. De grieven van de vreemdelingen slaagden dan ook.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van 7 september 2020, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 2.244,00. Daarmee werd het besluit van de staatssecretaris teruggewezen vanwege onvoldoende motivering over het reële risico bij terugkeer naar Griekenland.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkheidsbesluiten en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico bij terugkeer.

Uitspraak

202007041/1/V3.
Datum uitspraak: 24 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2020 in zaken nrs. NL20.16576 en NL20.16578 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 7 september 2020 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep gaat onder meer over de situatie voor statushouders in Griekenland en de vraag of zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Daarover heeft de Afdeling op 28 juli 2021 twee uitspraken gedaan (ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627). Hieruit volgt dat de staatssecretaris beter moet motiveren waarom de vreemdelingen voormeld risico niet lopen.
De grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De beroepen zijn gegrond en de besluiten van 7 september 2020 worden vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2020 in zaken nrs. NL20.16576 en NL20.16578;
III.      verklaart de beroepen gegrond;
IV.     vernietigt de besluiten van 7 september 2020, V-nummer […] en V-nummers […], […], […] en […];
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2021
638-906