ECLI:NL:RVS:2021:216
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- D.A. Verburg
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit en invordering dwangsommen wegens overtreding emissiewaarden stalhuisvesting
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer handhavend opgetreden tegen [appellante] vanwege overtredingen van vergunningen en het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) bij haar inrichting aan de [locatie 1] te Rijkevoort. Het college legde een last onder dwangsom op met een begunstigingstermijn van vier maanden om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vergunningen en emissiewaarden.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel dat het college bevoegd was tot handhaving, ook omdat de leegstaande afdelingen meetelden bij de emissieberekening. Er was geen concreet zicht op legalisering ten tijde van het besluit, en de begunstigingstermijn was redelijk vastgesteld.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het college terecht overging tot invordering van een verbeurde dwangsom, ondanks het latere zicht op legalisering. Ook het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn werd als redelijk beoordeeld. De beroepen van partijen tegen deze besluiten werden ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep en de beroepen tegen de besluiten van 12 december 2019 worden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.