ECLI:NL:RVS:2021:2191
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslistermijn van zes maanden voor verblijf als partner van Unieburger
De vreemdeling uit India diende op 10 september 2019 een aanvraag in voor een verblijfsdocument als partner van een Unieburger. Na ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen, verleende de staatssecretaris alsnog de verblijfsvergunning. Het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris een dwangsom verschuldigd was vanwege overschrijding van de beslistermijn.
De vreemdeling stelde dat de beslistermijn van zes maanden onterecht was en dat een kortere termijn van negentig dagen, zoals bij reguliere verblijfsvergunningen, had moeten gelden. Tevens voerde hij aan dat het onderscheid in beslistermijnen in strijd was met het discriminatieverbod en het unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd is vanwege het verschil in aard tussen een regulier verblijfsrecht en een declaratoir verblijfsrecht op grond van Unierecht. De langere beslistermijn volgt uit de Verblijfsrichtlijn en is daarmee bindend. Er is geen sprake van directe of indirecte discriminatie, noch van strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Prejudiciële vragen werden niet gesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beslistermijn van zes maanden voor het verblijfsdocument als partner van een Unieburger wordt bevestigd.