ECLI:NL:RVS:2021:2193
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 2 februari 2021 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit op 30 juli 2021 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om niet uitgezet te worden totdat het hoger beroep is beslist, gegrond is. Daarom werd bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdeling, die volledig toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak betreft een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van de vreemdeling worden beschermd tijdens de procedure. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.M. Wissels op 30 september 2021.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.