Uitspraak
Datum uitspraak: 6 oktober 2021
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het geschil betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van een locatie in strijd met het bestemmingsplan, specifiek voor zelfstandige horeca (Horeca-4) op locatie B binnen een pand dat uit drie locaties bestaat. De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Het college stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een volle toets toepaste op de vestigingsbeperking voor horeca in het bestemmingsplan in relatie tot de Dienstenrichtlijn. De Afdeling bevestigde dat in procedures tegen een weigering omgevingsvergunning slechts exceptief wordt getoetst of het bestemmingsplan evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn, en dat een volle toets niet aan de orde is.
De Afdeling oordeelde dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de vestigingsbeperking noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van het stedelijk milieu, het woon- en leefklimaat en ter voorkoming van mono-functionaliteit. Het belang van het handhaven van het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid weegt zwaarder dan het belang van appellant bij uitbreiding van zelfstandige horeca.
Daarnaast stelde de Afdeling vast dat het college het nieuwe besluit niet tijdig heeft genomen, waardoor een dwangsom van €462,- is vastgesteld. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, dat van appellant ongegrond, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van 30 november 2018 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, dat van appellant ongegrond, waarbij het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt gehandhaafd.