ECLI:NL:RVS:2021:2246
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot naturalisatie wegens verblijfsgat en intrekking verblijfsvergunning
Appellant verzocht op 27 juli 2017 om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees dit verzoek op 20 mei 2019 af wegens een verblijfsgat van 6 mei 2015 tot 16 juni 2016 zonder geldige verblijfsvergunning, waardoor niet werd voldaan aan het vereiste van onafgebroken hoofdverblijf gedurende vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Daarnaast werd het verzoek afgewezen omdat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend voor verblijf bij partner, op 22 juli 2019 was ingetrokken, wat bedenkingen gaf tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Appellant stelde dat deze intrekking onterecht was en verwees naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de intrekking herroepen had, en dat de staatssecretaris de vergunning op 22 juli 2021 had verlengd.
De Raad oordeelde dat hoewel de intrekking later ongedaan werd gemaakt, dit niet tot een ander oordeel leidt omdat ten tijde van het besluit over naturalisatie de vergunning was ingetrokken en er dus bedenkingen bestonden. Ook voldeed appellant niet aan de vereiste verblijfsduur. De schade die appellant stelde te hebben geleden door de intrekking van de vergunning kon niet in deze naturalisatieprocedure worden vergoed.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris gaf aan dat appellant bij een nieuw verzoek waarschijnlijk wel aan de voorwaarden voldoet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot naturalisatie bevestigd.