ECLI:NL:RVS:2021:2268
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergoedingen rechtsbijstand wegens niet-toegankelijkheid zakelijke geschillen
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de intrekking van vergoedingen door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. De vergoedingen waren toegekend voor twee procedures: een geschil over de beëindiging van het huurcontract van een kringloopwinkel en een tuchtrechtelijke klacht tegen een deurwaarder.
De raad had de vergoedingen ingetrokken op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand, omdat het ging om een zakelijk geschil dat niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank had dit oordeel bevestigd, stellende dat de kringloopwinkel al was beëindigd voordat de procedures werden gestart en dat de cliënt niet als verweerder betrokken was in een procedure binnen een jaar na beëindiging.
In hoger beroep voerde de rechtsbijstandverlener aan dat kleine zelfstandigen hierdoor buiten de boot vallen en dat het beleid onduidelijk en onredelijk is. De Raad van State oordeelt echter dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, een wettelijk voorschrift is en dat de uitzonderingen daarop niet van toepassing zijn in deze zaak. De regeling tast het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan en is proportioneel gericht op het beheersbaar houden van de gesubsidieerde rechtsbijstand.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de vergoedingen wordt ongegrond verklaard.