ECLI:NL:RVS:2018:4251
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging gesubsidieerde rechtsbijstand voor vennoot bedrijfsrechtzaak
In deze zaak heeft de raad een aanvraag om toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen omdat het geschil betrekking heeft op een rechtsbelang dat voortkomt uit de uitoefening van een zelfstandig bedrijf. De aanvrager, vennoot van een vennootschap onder firma, was hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een vordering en proceskosten. Zij vroeg gesubsidieerde rechtsbijstand aan voor hoger beroep tegen dit vonnis.
De rechtbank bevestigde de afwijzing omdat het financieel belang lager was dan de drempel van € 4.500,- en het bedrijf geen startende onderneming was. Ook was de voortzetting van het bedrijf niet afhankelijk van het resultaat van de rechtsbijstand. De raad stelde dat er geen strijd was met het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro).
In hoger beroep voerde de aanvrager aan dat de rechtbank ten onrechte voorbijging aan het feit dat de proceskosten meegeteld moesten worden, dat het bedrijf wel degelijk startend was, en dat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende werden meegewogen. De Raad van State oordeelde echter dat de wettelijke uitzonderingen niet van toepassing zijn, het financieel belang lager is dan de norm, en dat de beperking van het recht op toevoeging gerechtvaardigd is vanwege de beheersbaarheid van het stelsel van rechtsbijstand. De afwijzing van de toevoeging wordt bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand wordt bevestigd.