ECLI:NL:RVS:2021:23
Raad van State
- Verzet
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep inzake voorlopige voorziening omgevingsvergunning Leeuwarden
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het verzet behandeld van Grouster Vastgoed Maatschappij (GVM) tegen de uitspraak van 15 april 2020, waarin de Afdeling zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het hoger beroep van GVM tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2019.
De Afdeling heeft geoordeeld dat het hoger beroep van GVM uitsluitend betrekking had op besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden waartegen een verzoek om voorlopige voorziening was gedaan. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt een appèlverbod tegen uitspraken van de voorzieningenrechter in voorlopige voorziening procedures, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen.
GVM voerde aan dat de voorzieningenrechter eigener beweging een andere voorziening had getroffen dan verzocht, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden en het proces niet eerlijk was verlopen. De Afdeling oordeelde echter dat deze situatie niet vergelijkbaar was met eerdere jurisprudentie die uitzonderingen op het appèlverbod toestond. Bovendien heeft de Afdeling vastgesteld dat het verzet geen twijfel aan de juistheid van de eerdere uitspraak oplevert en dat GVM voorafgaand aan de uitspraak voldoende gelegenheid tot horen heeft gehad.
De Afdeling verklaarde het verzet ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de onbevoegdverklaring van het hoger beroep in stand.
Uitkomst: Het verzet van GVM is ongegrond verklaard en het hoger beroep is onbevoegd verklaard.