ECLI:NL:RVS:2021:2349
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid burgemeester tot opleggen huisverbod aan niet-inwonende persoon
De burgemeester van Rotterdam legde op 20 augustus 2020 een huisverbod op aan een persoon die niet in de woning woont, vanwege bedreigingen aan het adres van zijn ex-vrouw. De rechtbank vernietigde dit besluit en het daaropvolgende verlengingsbesluit, omdat het huisverbod volgens de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) alleen kan worden opgelegd aan personen die in de woning wonen of daar anders dan incidenteel verblijven.
De burgemeester stelde in hoger beroep dat het Verdrag van Istanbul en de Europese Verordening nr. 606/2013 een bredere uitleg van de Wth vereisen, zodat ook niet-inwonenden een huisverbod kunnen krijgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het Verdrag niet onvoorwaardelijk en nauwkeurig genoeg is om als grondslag te dienen voor een uitbreiding van de bevoegdheid van de burgemeester.
De Afdeling benadrukte het legaliteitsbeginsel en de parlementaire geschiedenis van de Wth, waaruit blijkt dat het huisverbod niet bedoeld is voor personen die niet in de woning wonen. Bovendien zijn er andere rechtsmiddelen, zoals civielrechtelijke contact- en gebiedsverboden en strafrechtelijke maatregelen, die bescherming bieden tegen huiselijk geweld.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de burgemeester niet bevoegd was het huisverbod op te leggen en te verlengen aan een niet-inwonende persoon en verklaart het hoger beroep ongegrond.