ECLI:NL:RVS:2021:2358
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verstrekkingen asielzoeker met verblijfsvergunning
De vreemdeling diende op 27 september 2019 een aanvraag in voor verstrekkingen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) wees deze aanvraag af omdat de vreemdeling reeds in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, geldig tot 7 januari 2022, en daardoor aanspraak kon maken op voorzieningen via de gemeente.
De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde hij hoger beroep in bij de Raad van State. De vreemdeling voerde aan dat het COa ten onrechte had gehandeld door hem niet in aanmerking te laten komen voor verstrekkingen, omdat hij op het moment van de aanvraag nog asielzoeker was.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd rechtmatig verblijf had en daarom in principe aangewezen was op gemeentelijke voorzieningen, conform artikel 11 van Pro de Participatiewet. Dit is niet in strijd met de Opvangrichtlijn, aangezien ook via gemeentelijke voorzieningen wordt voldaan aan de verplichting tot materiële opvang. De grieven van de vreemdeling faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.