Uitspraak
20.Het beroep is ongegrond.
21.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Den Haag
Eiser diende op 9 juni 2018 een asielaanvraag in en had reeds een reguliere verblijfsvergunning verleend op grond van nareis, geldig tot 7 januari 2022. Na zijn echtscheiding op 31 mei 2019 en terugkeer uit Duitsland op 13 juli 2019 had eiser geen vaste woon- of verblijfplaats meer in Nederland. Hij verzocht op 27 september 2019 om toelating tot opvang, welke door verweerder op 2 oktober 2019 werd afgewezen.
De rechtbank overweegt dat eisers reguliere verblijfsvergunning niet van rechtswege is beëindigd door de echtscheiding en dat zolang deze niet is ingetrokken, eiser een verblijfsstatus behoudt. Op grond van vaste jurisprudentie is opvang slechts verplicht binnen de kaders van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). Omdat eiser een reguliere verblijfsvergunning heeft, kan hij aanspraak maken op gemeentelijke voorzieningen en niet op opvang via de Rva.
Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank aannemen dat passende huisvesting buiten de opvangvoorziening voor eiser mogelijk was, mede omdat de niet-toegang tot de voormalige echtelijke woning niet uitsluit dat andere huisvestingsmogelijkheden bestonden. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen passende huisvesting kon verkrijgen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de opvangaanvraag wordt bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser geen recht heeft op opvang omdat passende huisvesting buiten de opvang mogelijk was.