ECLI:NL:RVS:2021:2374
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor bouwplan garage Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 12 juni 2019 een omgevingsvergunning voor het veranderen van het daklicht, de hoofddraagconstructie en de indeling van een gebouw met een garage aan de [locatie] te Amsterdam. Appellanten, eigenaren van een deel van deze garage, stelden dat een muur die met de vergunning werd gelegaliseerd op hun deel stond en hun gebruik van het appartementsrecht belemmert.
Zij voerden aan dat de vergunninghouder niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat het bouwplan niet op zijn eigendom zou zijn, en dat de vergunning daarom buiten behandeling had moeten blijven. De rechtbank oordeelde echter dat onvoldoende duidelijk was of de muur op het eigendom van appellanten stond en dat dit civielrechtelijk moest worden beslecht. De vergunninghouder werd als belanghebbende erkend.
Verder voerden appellanten aan dat de rechtbank ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt, omdat de muur het normale gebruik van hun garage ernstig belemmert en leidt tot waardedaling. De rechtbank stelde dat de vergunning niet in strijd was met het bestemmingsplan of andere weigeringsgronden uit de Wabo, waardoor het college verplicht was de vergunning te verlenen. Een belangenafweging was daarom niet aan de orde.
Ten slotte stelden appellanten dat er sprake was van overtredingen van de vergunning, zoals het aanbrengen van een trap en het ontbreken van een deur. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde dat deze handhavingskwesties niet in deze procedure aan de orde zijn. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning en eerdere uitspraak bevestigd.