ECLI:NL:RVS:2021:2379
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- W. den Ouden
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbinding en turboliquidatie van appellanten
Bij afzonderlijke besluiten van 13 juni 2016 hebben Gedeputeerde Staten van Fryslân subsidies aan appellanten toegekend, die later ambtshalve op nihil zijn gesteld en teruggevorderd. Appellanten, bestaande uit twee B.V.'s en een natuurlijke persoon, zijn tussen februari 2019 en mei 2020 ontbonden en geliquideerd via turboliquidatie, waarbij zij uit het Handelsregister zijn uitgeschreven met de opmerking dat geen baten meer aanwezig zijn.
De kern van het geschil is of appellanten na hun ontbinding nog in hoger beroep kunnen worden ontvangen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat op grond van artikel 2:19 lid 4 BW Pro een rechtspersoon die geen baten meer heeft bij ontbinding ophoudt te bestaan, waardoor zij geen rechtsmacht meer heeft om procedures voort te zetten. Het feit dat appellanten mogelijk een gunstige uitkomst van deze procedure verwachtten, kwalificeert niet als bate.
De Afdeling overweegt verder dat het vijfde lid van artikel 2:19 BW Pro, dat voortbestaan voor vereffening regelt, hier niet van toepassing is omdat de turboliquidatie correct is geregistreerd en er geen baten meer zijn. Ook het executoriaal derdenbeslag van €132 op de bankrekening van een appellant leidt niet tot voortbestaan. Gelet op rechtszekerheid prevaleert het vierde lid van artikel 2:19 BW Pro boven het vijfde lid.
Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en worden de proceskosten niet aan gedeputeerde staten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbinding en turboliquidatie.