ECLI:NL:RVS:2021:2479
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
Bij besluit van 11 november 2019 legde de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellant een boete van €6.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De overtreding bestond uit het laten verrichten van werkzaamheden door een vreemdeling van Egyptische nationaliteit in de periode van 27 juli 2018 tot en met 17 februari 2019 zonder dat het UWV Werkbedrijf een tewerkstellingsvergunning had verleend en zonder dat de vreemdeling beschikte over een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden.
Appellant maakte bezwaar tegen de boete, maar dit bezwaar werd bij besluit van 24 juni 2020 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Oost-Brabant het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond bij uitspraak van 5 februari 2021. Het hoger beroep van appellant richtte zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bij mondelinge uitspraak van 4 november 2021 het eerdere oordeel. De Afdeling overwoog dat appellant niet had voldaan aan haar controleverplichtingen, aangezien zij niet had nagegaan of de vreemdeling over de vereiste vergunning beschikte, terwijl dit haar eigen verantwoordelijkheid was. Het verschil tussen identiteitsdocumenten was begrijpelijk, maar appellant had in dat geval informatie moeten inwinnen bij het UWV Werkbedrijf. De boete was passend en geboden, mede omdat de boete was gematigd vanwege correcte loonbetaling en administratie. Er was geen grond voor verdere matiging of het geven van een waarschuwing in plaats van een boete. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €6.000 blijft in stand.