ECLI:NL:RVS:2021:2480

Raad van State

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
10 november 2021
Zaaknummer
202106661/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, derde lid, Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 106, eerste lid, Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling krijgt schadevergoeding na onrechtmatige vrijheidsontneming

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 23 september 2021 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 15 oktober 2021 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep gegrond is, mede op basis van een eerdere uitspraak over de doorwerking van onrechtmatige vrijheidsontneming in de luchthavenlounge van Schiphol.

De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels is opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €3.600 over de periode van 22 september tot en met 27 oktober 2021. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.496 voor rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding van €3.600 toegekend.

Uitspraak

202106661/1/V3.
Datum uitspraak: 9 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15146 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 15 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep gaat over een rechtsvraag die de Afdeling in haar uitspraak van vandaag heeft beantwoord (ECLI:NL:RVS:2021:2476, over de doorwerking van onrechtmatige vrijheidsontneming in de lounge op Schiphol in de maatregel die vervolgens krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 is opgelegd). Daaruit volgt dat de grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Voor zover er al vergoedingen zijn betaald, mag de staatssecretaris die in mindering brengen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15146;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.600,00 over de periode van 22 september 2021 tot en met 27 oktober 2021, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2021
765-906