ECLI:NL:RVS:2021:2481

Raad van State

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
10 november 2021
Zaaknummer
202106737/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 8 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling in bewaring gesteld op onjuiste wettelijke grondslag; bewaring onrechtmatig verklaard en schadevergoeding toegekend

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 2 oktober 2021 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat sprake was van niet-rechtmatig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank niet had beoordeeld dat de vreemdeling op 13 oktober 2021 rechtmatig verblijf had gekregen door een voorlopige voorziening, waardoor de wettelijke grondslag van de bewaring had moeten worden gewijzigd naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000. De staatssecretaris had dit niet tijdig gedaan, waardoor de bewaring vanaf 15 oktober 2021 onrechtmatig was.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de bewaring met ingang van 9 november 2021 werd opgeheven. Tevens kende de Afdeling een schadevergoeding toe van €2.600 over de periode van 15 oktober tot en met 9 november 2021 en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van €2.244.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard, opgeheven en er is een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

202106737/1/V3.
Datum uitspraak: 9 november 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15813 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 20 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in de grieven 1, 2 en 4 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De vreemdeling betoogt in haar derde grief terecht dat de rechtbank niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat zij door toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening in de uitspraak van 13 oktober 2021 rechtmatig verblijf heeft gekregen en dat de staatssecretaris de grondslag van de maatregel daarom had moeten omzetten naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000.
Inhoudelijk slaagt dit betoog ook. De vreemdeling is op 2 oktober 2021 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Die grondslag gaat over niet-rechtmatig verblijf. In de uitspraak van 13 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet, tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Daarmee heeft de vreemdeling op 13 oktober 2021 op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf gekregen. Door de wettelijke grondslag van de bewaring tot op heden niet te wijzigen naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000, heeft de staatssecretaris onvoldoende voortvarend gehandeld. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082, onder 6.4. De staatssecretaris had de vreemdeling uiterlijk op 15 oktober 2021 op deze laatste wettelijke grondslag in bewaring moeten stellen. De bewaring is daarom met ingang van die dag onrechtmatig. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 20 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15813;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.       kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.600,00 over de periode van 15 oktober 2021 tot en met 9 november 2021, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2021
347-962