ECLI:NL:RVS:2021:260

Raad van State

Datum uitspraak
10 februari 2021
Publicatiedatum
10 februari 2021
Zaaknummer
202005240/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.C.M.A. Michiels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afvalstoffenverordening 2010 gemeente Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kosten bestuursdwang bij verkeerd aanbieden afvalstoffen afgewezen

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 26 mei 2020 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een doos naast een ondergrondse container te verwijderen, omdat deze in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 was aangeboden. De doos droeg een adreslabel met de naam en het adres van appellant, die niet betwist dat de doos van hem afkomstig is, maar wel stelt dat hij niet degene was die de doos naast de container heeft geplaatst.

Appellant voerde aan dat hij de doos met oude schoenen had gedoneerd aan een weggeefwinkel van een vadercentrum achter de containers en dat iemand anders de doos daar had neergezet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat volgens vaste rechtspraak degene tot wie afvalstoffen kunnen worden herleid als overtreder wordt beschouwd, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

Omdat appellant zijn stelling niet met bewijsstukken ondersteunde, mocht het college hem terecht als overtreder aanwijzen en de kosten van €126,- voor bestuursdwang aan hem opleggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de kosten van bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202005240/1/R4.
Datum uitspraak: 10 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2020 heeft het college zijn beslissing om op 26 mei 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 8 september 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2021, waar alleen het college, vertegenwoordigd door D. Khougiani, is verschenen.
Overwegingen
1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 26 mei 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse container ter hoogte van de De Genestetlaan 132 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
2.    [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar stelt dat hij niet degene is geweest die de doos naast de container heeft gezet. Hij stelt dat hij de doos, met daarin oude schoenen van zijn kind, heeft gedoneerd aan [vadercentrum]. [vadercentrum] is gevestigd in het gebouw direct achter de ondergrondse containers en exploiteert daar een weggeefwinkel. [appellant] gaat ervan uit dat degene die de schoenen heeft gekregen, de doos naast de container heeft gezet.
2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Met zijn enkele stelling dat hij de doos, met daarin een paar schoenen, heeft gedoneerd aan [vadercentrum], heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt, omdat hij deze stelling niet met bewijsstukken heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Het college heeft hem dan ook terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog faalt.
3.    Het beroep is ongegrond.
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2021
687.