ECLI:NL:RVS:2021:2693

Raad van State

Datum uitspraak
1 december 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
202004699/1/R4
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak inzake handhaving aanplant struiken in Lexmond

Verzoekster heeft herhaaldelijk verzocht om herziening van eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden om geen handhavend op te treden tegen de aanplant van struiken op een perceel in Lexmond.

De Afdeling heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat het planten van struiken op en over een pad op het perceel van verzoekster geen bestuursrechtelijke overtreding oplevert en dat geschillen over beplanting die over perceelgrenzen groeit onder het privaatrecht vallen. Verzoekster betoogde onder meer dat een watergang illegaal was gedempt en dat er een besluit van de burgemeester en een inschrijving in het Kadaster was die tot een overtreding zouden leiden.

De Afdeling stelt dat het verzoek tot herziening alleen kan worden toegewezen indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak plaatsvonden, niet bekend waren en bij bekendheid tot een andere uitspraak zouden hebben geleid. Verzoekster heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze criteria voldoen.

Daarom wijst de Afdeling het verzoek tot herziening af en ziet zij geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van eerdere uitspraken wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

202004699/1/R4.
Datum uitspraak: 1 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoekster], wonend te Lexmond, gemeente Vijfheerenlanden,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1632.
Procesverloop
Bij uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1632, heeft de Afdeling het verzoek van [verzoekster] om de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 in zaak nr. 201805017/3/A1 te herzien, afgewezen. De uitspraak is aangehecht.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoekster] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 november 2021, waar [verzoekster], in persoon, is verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden, vertegenwoordigd door A. den Braven, mr. A.M.J. de Braal en mr. J.A. Duijster-de Boef, ter zitting gehoord.
Overwegingen
1.       Bij uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 oktober 2016 in zaak nr. 16/170. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. In die zaak was een besluit van het college aan de orde waarbij het een verzoek van [verzoekster] om handhavend optreden tegen de aanplant van struiken op het perceel [locatie] in Lexmond heeft afgewezen.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht om die uitspraak te herzien. Bij uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1851, heeft de Afdeling dat verzoek afgewezen. [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht om die uitspraak te herzien. Bij uitspraak van 26 september 2018 in zaak nr. 201805017/2/A1 heeft de Afdeling dat verzoek afgewezen. Het verzoek is in die uitspraak opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109. Tegen de uitspraak van 26 september 2018 in zaak nr. 201805017/2/A1 heeft [verzoekster] verzet gedaan. Bij uitspraak van 20 februari 2019 in zaak nr. 201805017/3/A1 heeft de Afdeling het verzet ongegrond verklaard.
[verzoekster] heeft de Afdeling verzocht om de uitspraak van 20 februari 2019 in zaak nr. 201805017/3/A1 te herzien, net als de daaraan voorafgaande uitspraken. De Afdeling heeft het verzoek opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109, en dat verzoek bij uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1632, afgewezen.
2.       [verzoekster] heeft de Afdeling verzocht om de uitspraak van 15 juli 2020 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2020:1632 te herzien, evenals de daaraan voorafgaande uitspraken.
2.1.    Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
2.2.    Gelet op de omstandigheid dat op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb steeds van de oorspronkelijke uitspraak herziening kan worden gevraagd, indien de in dat artikel genoemde feiten en omstandigheden zich voordoen, heeft het doen van een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij al eerder met toepassing van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb een verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak is afgewezen, geen zin. De Afdeling zal het verzoek van [verzoekster] daarom opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109.
2.3.    In de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109, heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de omstandigheid dat de tegen het hek geplante struiken op en over een pad op het perceel van [verzoekster] groeien, geen overtreding is waartegen het college bestuursrechtelijk handhavend kan optreden. Ook heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat een geschil tussen buren over het onderhoud van beplanting die over de perceelgrens groeit, onder het privaatrecht valt. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd over het dempen van een sloot en het hek zelf terecht buiten beschouwing heeft gelaten.
2.4.    [verzoekster] kan zich niet verenigen met de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3109. Zij heeft in dit verband naar voren gebracht dat illegaal een watergang is gedempt naast haar perceel. Verder betoogt [verzoekster] dat de tegen het hek geplante struiken wel tot een overtreding leiden, omdat er een besluit van de burgemeester aan ten grondslag ligt, terwijl er een uitspraak is ingeschreven in het Kadaster. Ten slotte heeft [verzoekster] er op gewezen dat de welstandscommissie in 2013 de verwijdering van de struiken en het hek heeft afgewezen.
Dat [verzoekster] het niet eens is met de uitspraak van 15 november 2017, betekent niet dat de uitspraak moet worden herzien. Het bijzondere rechtsmiddel van de herziening biedt immers niet de mogelijkheid om de discussie over punten waarover in de uitspraak is beslist voort te zetten, behalve als is voldaan aan de cumulatief gestelde eisen van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De uitspraak van 15 november 2017 op het hoger beroep van [verzoekster] is bedoeld om de procedure tot een einde te brengen. Het betoog van [verzoekster] ziet niet op feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, nu zij het in deze procedure aangevoerde al eerder naar voren heeft gebracht en hierover al een oordeel is gegeven.
3.       Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
4.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.
w.g. Venema
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Melenhorst
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2021
490