ECLI:NL:RVS:2021:272
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boetes wegens overtreding beroepskracht-kindratio bij buitenschoolse opvang
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht legde aan [appellante], houder van meerdere kinderopvanglocaties, elf bestuurlijke boetes op wegens overtredingen van de beroepskracht-kindratio (BKR) bij de buitenschoolse opvang (BSO) [naam opvang]. Deze boetes betroffen een totaalbedrag van €55.000, gebaseerd op een inspectierapport van de GGD Utrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de overtredingen elk afzonderlijk beboetbaar waren en dat de boetes proportioneel waren. [Appellante] stelde in hoger beroep dat de boetes onterecht en disproportioneel waren, onder meer omdat de BKR bij groepsoverstijgende activiteiten niet op basisgroepniveau hoefde te worden toegepast en de overtredingen slechts een half uur per dag duurden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college terecht boetes kon opleggen, maar dat de cumulatie van elf boetes tot een onevenredig hoog bedrag leidt gezien de samenhang en korte periode van de overtredingen. De Afdeling matigt daarom het boetebedrag met 50% tot €27.500. Tevens vernietigt de Afdeling het eerdere besluit en stelt zij het boetebedrag vast. Proceskosten en griffierecht worden aan het college opgelegd.
Uitkomst: De bestuurlijke boetes worden gematigd tot een totaalbedrag van €27.500 en het eerdere besluit wordt vernietigd.