ECLI:NL:RVS:2021:2720
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering en schending hoor en wederhoor
De vreemdeling, afkomstig uit Irak, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege vrezen voor eerwraak bij terugkeer. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees haar aanvraag af op 12 december 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond op 2 november 2020. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet volledig op haar beroepsgronden had beslist en buiten de grenzen van het geschil was getreden. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom haar bezwaren tegen het geloofwaardigheidsoordeel van de staatssecretaris niet ontvankelijk waren en had informatie uit een ambtsbericht betrokken zonder partijen hierover te horen, wat in strijd is met het hoor en wederhoor-beginsel.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht had gehandeld door niet op alle grieven in te gaan en door ambtshalve feiten aan te vullen zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.