ECLI:NL:RVS:2021:2727

Raad van State

Datum uitspraak
6 december 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
202107440/1/V3 en 202107440/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:104 AwbArt. 92 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard, evenals het daarop volgende verzet. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht uitspraak had gedaan op het verzet, en dat tegen die uitspraak geen hoger beroep mogelijk is volgens artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid van de Afdeling.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat er geen sprake was van een situatie die het doorbreken van het verbod op hoger beroep rechtvaardigde, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N. Verheij, met griffier M.T. Annen, op 6 december 2021.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

202107440/1/V3 en 202107440/2/V3.
Datum uitspraak: 6 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2021 in zaak nr. NL21.11372V in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 6 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling gedane verzet ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft uitspraak gedaan op het verzet van de vreemdeling (artikel 8:55, zevende lid, van de Awb). Tegen zo'n uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 8:104, tweede lid, van de Awb).
2.       Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
3.       De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Annen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2021
765