ECLI:NL:RVS:2021:2727
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard, evenals het daarop volgende verzet. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht uitspraak had gedaan op het verzet, en dat tegen die uitspraak geen hoger beroep mogelijk is volgens artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens onbevoegdheid van de Afdeling.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat er geen sprake was van een situatie die het doorbreken van het verbod op hoger beroep rechtvaardigde, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N. Verheij, met griffier M.T. Annen, op 6 december 2021.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.