ECLI:NL:RVS:2021:2774
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens overtreding Wet natuurbescherming
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel legde op 27 juli 2020 aan een zand- en grindbedrijf een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Het college stelde dat de bedrijfsactiviteiten mogelijk de kwaliteit van natuurlijke habitats in het Natura 2000-gebied Engbertsdijksvenen kunnen verslechteren. De last verplichtte het bedrijf de overtreding te beëindigen door de activiteiten te staken, te beperken of een vergunning te verkrijgen.
Het bedrijf maakte bezwaar tegen de last, dat werd ongegrond verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank Overijssel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en schorste het besluit tijdelijk tot drie weken na uitspraak. Het bedrijf stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de last niet te hoeven naleven gedurende het hoger beroep.
De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond is vanwege de grote gevolgen voor de bedrijfsvoering en de contractuele verplichtingen van het bedrijf. Daarom werd het besluit van het college geschorst totdat inhoudelijk op het hoger beroep is beslist. Een zitting voor verdere behandeling is gepland op 21 december 2021.
Uitkomst: De Raad van State schorst de last onder dwangsom in afwachting van het hoger beroep.