ECLI:NL:RVS:2021:2858

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2021
Publicatiedatum
16 december 2021
Zaaknummer
202005612/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 1 september 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit op 13 oktober 2020 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris stelde de aanvraag vervolgens buiten behandeling op 3 augustus 2021. De vreemdeling maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was exclusief bevoegd om het verzoek te behandelen. Het verzoek was gericht op het voorkomen van uitzetting naar Polen op 27 oktober 2021. De staatssecretaris berichtte echter dat de uitzetting was geannuleerd, waardoor het verzoek geen belang meer had.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en hoefde de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 16 december 2021 door voorzieningenrechter N. Verheij, in aanwezigheid van griffier H. Vonk.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting is niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitzetting is geannuleerd.

Uitspraak

202005612/3/V3.
Datum uitspraak: 16 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 oktober 2020 in zaak nr. NL20.16258 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 oktober 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.
De vreemdeling heeft bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
De vreemdeling heeft op 22 november 2021 een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank ingediend hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2020 in de procedure over het besluit van 1 september 2020. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van de Afdeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, bij uitsluiting bevoegd om dit verzoek in behandeling te nemen en staat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar open. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de feitelijke uitzetting wordt daarom aangemerkt als een aanvulling op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       Het verzoek was erop gericht om te voorkomen dat de vreemdeling op 27 oktober 2021 werd uitgezet naar Polen. De staatssecretaris heeft echter de vreemdeling bericht dat die uitzetting is geannuleerd. Daarom bestaat geen belang bij beoordeling van het verzoek.
3.       Het verzoek is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2021
345-918