ECLI:NL:RVS:2021:2976
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling met verblijfsstatus in andere EU-lidstaat
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 3 oktober 2021 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling die op 2 oktober 2021 op Schiphol internationale bescherming verzocht. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond en kende schadevergoeding toe, omdat de vreemdeling met verblijfsstatus in Cyprus volgens de rechtbank toegang tot Nederland had moeten worden verleend om door te reizen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling zonder meer toegang tot Nederland moest krijgen, aangezien Cyprus weliswaar een EU-lidstaat is, maar geen deel uitmaakt van het Schengengebied. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigt het behandelen van het verzoek aan de buitengrens.
Verder oordeelde de Raad dat de rechtbank zich ten onrechte had gemengd in de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure, terwijl dit primair aan de staatssecretaris is. Klachten over de inhoudelijke behandeling kunnen bij een beroep tegen afwijzing of een klachtenprocedure worden ingebracht.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, maar het beroep alsnog ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel tegen de vreemdeling wordt gehandhaafd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.