ECLI:NL:RBDHA:2022:6479
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting grensdetentie
Eiser, een Indiase asielzoeker, werd op 15 februari 2022 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De behandeling van zijn asielaanvraag in de grensprocedure vond binnen de wettelijke termijn van vier weken plaats, waarbij op 22 februari 2022 een besluit werd genomen. Hoewel eiser stelde dat de aanvraag niet langer in de grensprocedure mocht worden behandeld vanwege een eerdere uitspraak over India als veilig land, oordeelde de rechtbank dat dit in deze procedure niet relevant was.
De vrijheidsontnemende maatregel werd op 23 maart 2022 opgeheven, maar eiser werd pas op 28 maart 2022 vrijgelaten, waardoor hij zes dagen onrechtmatig vastzat. Verweerder bood een schadevergoeding aan van €600,-, gebaseerd op het normbedrag van €100,- per dag. De rechtbank achtte dit onvoldoende en kende een schadevergoeding toe van 150% van het normbedrag, zijnde €900,-.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Staat tot betaling van de door eiser gemaakte proceskosten van €1.518,-. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €900,- schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting van grensdetentie.