ECLI:NL:RVS:2021:2981

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
24 december 2021
Zaaknummer
202104158/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in afwachting hoger beroep

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 maart 2020 het verzoek van de vreemdeling om uitstel van vertrek af. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank Den Haag dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris handhaafde het afwijzende besluit op 11 oktober 2021, waarna de vreemdeling opnieuw beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij werd vastgesteld dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet totdat op het hoger beroep van de staatssecretaris en het beroep van de vreemdeling was beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 748,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak volgt de lijn van eerdere jurisprudentie en waarborgt dat de vreemdeling niet wordt uitgezet tijdens de procedure, met het oog op een zorgvuldige rechtsgang en bescherming van de belangen van de vreemdeling.

De uitspraak werd op 24 december 2021 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter H.J.M. Baldinger, in aanwezigheid van griffier M.E. van Laar LLM.

Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep en het beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

202104158/3/V3.
Datum uitspraak: 24 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 juni 2021 in zaak nr. 20/3136 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 april 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar
neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 11 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2020 opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de vreemdeling beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep van de staatssecretaris en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 oktober 2021 zijn gekoppeld in die zin dat beide behandeld worden door de Afdeling. De Afdeling begrijpt het verzoek om een voorlopige voorziening daarom zo dat de vreemdeling heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep van de staatssecretaris en zijn beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.       Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt uitgezet, totdat op het hoger beroep van de staatssecretaris en het beroep van de vreemdeling is beslist;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot
vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling
van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van
€ 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Baldinger
voorzieningenrechter
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2021
872