ECLI:NL:RVS:2021:30
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens verboden munitiebezit
De korpschef van politie heeft op 8 april 2019 de door een beveiligingsbedrijf gevraagde toestemming geweigerd om appellant beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Deze weigering werd gehandhaafd in bezwaar en bevestigd door de rechtbank Rotterdam op 8 mei 2020. De korpschef baseerde zijn besluit op het feit dat appellant op 1 augustus 2018 een strafbeschikking van €150,- had aanvaard voor het bezit van munitie in strijd met artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de verdenking van overtreding van de Opiumwet niet tot een weigering mocht leiden en dat de strafbeschikking een gering nadeel opleverde, mede omdat hij voor zijn broodwinning afhankelijk is van beveiligingswerkzaamheden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de korpschef ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn.
Het verboden bezit van munitie wordt als een ernstig delict beschouwd dat de maatschappelijke veiligheid schaadt. De korpschef hoefde daarom niet af te wijken van de terugkijktermijnen in de beleidsregels. Het beroep van appellant faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toestemming bevestigd.