Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef om hem geen toestemming te verlenen voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden bij de Nederlandse Veiligheidsgroep. Deze weigering was gebaseerd op een strafbeschikking van februari 2021 wegens bedreiging, waarvoor eiser een geldboete betaalde.
De korpschef beriep zich op artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr), dat stelt dat toestemming onthouden wordt indien de persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid en betrouwbaarheid. De rechtbank bevestigt dat de korpschef binnen zijn beoordelingsruimte mocht aannemen dat eiser niet betrouwbaar is, mede gelet op de beleidsregels die een terugkijktermijn van vier jaar hanteren bij strafbare feiten met een geldboete.
Eiser voerde aan dat het incident geen weerspiegeling is van zijn persoonlijkheid, dat hij spijt heeft en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De rechtbank oordeelt echter dat de hardheidsclausule niet mag leiden tot het toestaan van personen die niet betrouwbaar zijn en dat de korpschef terecht heeft vastgehouden aan de terugkijktermijn.
De rechtbank benadrukt dat het gepleegde delict bedreiging ernstig is en onverenigbaar met beveiligingswerkzaamheden, mede gezien de kernwaarde van veiligheid in deze branche. Ook het ontbreken van eerdere veroordelingen weegt niet zwaar genoeg om de betrouwbaarheid te herzien. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af.