ECLI:NL:RVS:2021:337

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2021
Publicatiedatum
18 februari 2021
Zaaknummer
202100625/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigde verblijfsvergunningbesluiten

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 23 december 2020 besloten om de aanvragen van een vreemdeling en haar minderjarige kind om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet opnieuw in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze besluiten op 26 januari 2021 gegrond, vernietigde ze en beval de staatssecretaris nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de overwegingen in het vonnis.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voordat het hoger beroep is behandeld. De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk was dat het vonnis van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Hierdoor hoeft de staatssecretaris voorlopig geen nieuwe besluiten te nemen over de verblijfsvergunningaanvragen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak een definitieve beslissing heeft genomen op het hoger beroep. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 18 februari 2021 door voorzieningenrechter C.M. Wissels, waarbij de griffier M.E. van Laar aanwezig was.

Uitkomst: De staatssecretaris hoeft voorlopig geen nieuw besluit te nemen over de verblijfsvergunningaanvragen totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

202100625/3/V3.
Datum uitspraak: 18 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 januari 2021 in zaken nrs. NL20.22195 en NL20.22197 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluiten van 23 december 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdeling om haar en haar minderjarige kind een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 26 januari 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:192, heeft de voorzieningenrechter, vooruitlopend op de behandeling van het verzoek, een ordemaatregel getroffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J-A. Nijland, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening.
3.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2021
373-945.