ECLI:NL:RVS:2021:337
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigde verblijfsvergunningbesluiten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 23 december 2020 besloten om de aanvragen van een vreemdeling en haar minderjarige kind om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet opnieuw in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag verklaarde deze besluiten op 26 januari 2021 gegrond, vernietigde ze en beval de staatssecretaris nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de overwegingen in het vonnis.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voordat het hoger beroep is behandeld. De voorzieningenrechter overwoog dat het niet aannemelijk was dat het vonnis van de rechtbank in stand zou blijven en besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Hierdoor hoeft de staatssecretaris voorlopig geen nieuwe besluiten te nemen over de verblijfsvergunningaanvragen totdat de Afdeling bestuursrechtspraak een definitieve beslissing heeft genomen op het hoger beroep. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 18 februari 2021 door voorzieningenrechter C.M. Wissels, waarbij de griffier M.E. van Laar aanwezig was.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft voorlopig geen nieuw besluit te nemen over de verblijfsvergunningaanvragen totdat het hoger beroep is beslist.