ECLI:NL:RVS:2021:348
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring bij voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had de vreemdeling bij besluiten van 3 januari 2021 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod opgelegd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, met name om de maatregel van bewaring op te heffen. De voorzieningenrechter weegt het belang van de vreemdeling, gelet op artikel 5 EVRM Pro en de stand van zaken in de bodemprocedure, zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring.
Daarom wordt de maatregel van bewaring met ingang van de dag van de uitspraak opgeheven. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding worden in de bodemprocedure behandeld.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt per direct opgeheven en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.