ECLI:NL:RVS:2021:348

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
22 februari 2021
Zaaknummer
202100307/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring bij voorlopige voorziening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had de vreemdeling bij besluiten van 3 januari 2021 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod opgelegd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in en verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, met name om de maatregel van bewaring op te heffen. De voorzieningenrechter weegt het belang van de vreemdeling, gelet op artikel 5 EVRM Pro en de stand van zaken in de bodemprocedure, zwaarder dan het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring.

Daarom wordt de maatregel van bewaring met ingang van de dag van de uitspraak opgeheven. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding worden in de bodemprocedure behandeld.

Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt per direct opgeheven en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202100307/2/V3.
Datum uitspraak: 19 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 januari 2021 in zaken nrs. NL21.20 en NL21.52 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 3 januari 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 15 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de maatregel van bewaring wordt opgeheven.
2.    In het licht van artikel 5 van Pro het EVRM en de stand van zaken in de bodemprocedure komt aan het belang van de vreemdeling bij de opheffing van de maatregel meer gewicht toe dan aan het belang van de staatssecretaris bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van bewaring ingaande vandaag wordt opgeheven;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2021
347